Opvolging van laboratoriumgeassocieerde infecties [LAI]

Last updated on 1-4-2019 by Sarah Moreale
mei 15, 2017
januari 31, 2018

Diensten die aan dit project werken

Projectonderzoekers van Sciensano

Partners

Greet Smets

In het kort

Laboratoriumgeassocieerde infecties (LAI’s) verwijzen naar menselijke infecties, opgelopen in een faciliteit voor biologische inperking (ook gekend als laboratorium), tijdens het werken met ziekteverwekkende biologische agentia (i.e. de agentia die verantwoordelijk zijn voor aandoeningen zoals bacteriën, virussen, parasieten, enz.). LAI’s kunnen eerst het personeel dat werkzaam in het laboratorium,  treffen, maar kunnen daarna ook een breder gezondheidsprobleem worden als een geïnfecteerd personeelslid de biologische agentia overdraagt op andere mensen en/of in het leefmilieu. LAI’s monitoren en er tijdig op reageren vormen daarom belangrijke elementen om schade (voor de volksgezondheid) te voorkomen na een onopzettelijke infectie. Daarom onderzocht Sciensano in samenwerking met Perseus BVBA hoe de monitoring van LAI’s in zijn werk gaat en wordt ervaren in Europa, Canada en de VS. We hebben ook een model ingevoerd waarmee een meer optimale monitoring van LAI’s kan worden bereikt.

Projectsamenvatting

Laboratoriumgeassocieerde infecties (LAI’s) verwijst naar alle rechtstreekse of onrechtstreekse menselijke infecties, al dan niet symptomatisch, na beroepsgebonden blootstelling aan biologische agentia in een faciliteit voor biologische inperking.

Deze studie wou meer inzicht bieden in de wettelijke opties voor bepaalde preventiemaatregelen (in het bijzonder vaccinatie en exclusie van kandidaat-werknemers) en LAI-monitoring, evenals hun waarde en haalbaarheid.  

De monitoring van LAI’s is gericht op:

  • (snelle) detectie van de ontwikkeling van een bijwerking met risico’s voor menselijke infectie.
  • preventie van gevolgen voor de menselijke gezondheid en het leefmilieu
  • ontwikkeling van bewijsmateriaal voor de werkzaamheid van de vereiste inperkingsmaatregelen (bewezen biologische veiligheid).

In het project werd een conceptueel model ontwikkeld om verschillende monitoringniveaus te positioneren, zoals vermeld in de onderstaande afbeelding:

  1. potentiële blootstelling
  2. de werknemer die is blootgesteld aan biologische agentia
  3. de beroepsgebonden infectie, mogelijk beginnend met of zonder de indicatie van een blootstelling (bijv. biologisch incident). 

LAI scheme @ SciensanoHet huidig en algemeen gebrek aan informatie over LAI’s momenteel, te wijten aan onvolledige meldingen van LAI’s, verhindert een diepgaande analyse van de efficiëntie en effectiviteit van de geïmplementeerde beschermingsmaatregelen (wettelijk kader voor biologische veiligheid).

Het projectverslag (CGM 2018-01) stelt voor om niet enkel te focussen op monitoring, maar om ook een gecentraliseerd ‘open’ LAI-rapporteringssysteem te ontwikkelen met de nodige respect voor privacy en vertrouwelijkheid.

De informatie die wordt verzameld via dit systeem, zal bruikbaar zijn om te evalueren of gelijkaardige situaties zich elders kunnen voordoen, en hoe ze kunnen worden vermeden.

Dit zou moeten uitmonden in een beheer van de biologische risico’s dat meer gebaseerd is op aantoonbare gegevens, en in minder biologische incidenten die schadelijk kunnen zijn voor de mens of voor het leefmilieu.

Resultaten

De belangrijkste bevindingen van het project zijn:

  • de richtlijnen 2009/41/EG en 2000/54/EG zijn complementair en voorzien in opvolgingsmogelijkheden (monitoring).
  • de monitoring van LAl zou tot een grotere kennis en een beter beheer van de risico’s kunnen leiden.
  • hoewel de wetgeving voortvloeiend uit de richtlijnen 2009/41/EG en 2000/54/EG complementair is, kunnen verschillende autoriteiten bij de implementatie ervan worden betrokken, wat leidt tot versnippering van de autoriteit. Dit kan het verzuimen van de meldingsplicht en de opvolging tot gevolg hebben.
  • het risico op schadelijke biologische effecten van activiteiten met biologische agentia, inclusief GGO, voor het leefmilieu en de bevolking:
    • wordt als gering beschouwd op basis van de beperkte gegevens en is dus geen prioriteit op sociaal vlak;
    • kan niet volledig worden uitgesloten, hoofdzakelijk door niet-GGO van R&D (en relatief minder van diagnoseactiviteiten);
    • het delen van GGO is marginaal omdat GGO vaak intrinsiek ingeperkte risico’s inhouden voor de bevolking en het leefmilieu (bv. auxotrofie, niet-replicatief, verzwakking).
    • er bestaat geen centraal rapportagesysteem voor LAl of ongevallen met biologische agentia.
    • het aantal ‘getrokken lessen’ is beperkt met als gevolg:
      • onvolledige en versnipperde gegevens van LAl
      • een risicobeheer dat niet optimaal is om gelijkaardige ongevallen te voorkomen of voor de pragmatische organisatie van de wettelijke vereisten.

Dit project was in opdracht van COGEMDe inhoud valt uitsluitend onder de verantwoordelijkheid van de auteurs en kan geenszins de zienswijzen van COGEM vertegenwoordigen.

Geassocieerde gezondheidsonderwerpen

QR code

QR code for this page URL