HIV diagnose bij volwassenen

Last updated on 8-5-2023 by Marinka Vangenck

Richtlijnen voor HIV diagnose bij volwassenen, opgesteld door de zeven AIDS Referentielaboratoria (ARL).

Doel van de test

HIV infectie detecteren, bevestigen en typeren. HIV typering (onderscheid tussen HIV-1 en HIV-2 infectie) is nodig omdat voor bepalingen van proviraal DNA, virale lading en resistentie HIV-1 of HIV-2 specifieke moleculaire testen nodig zijn, en het HIV type ook invloed zal hebben op de therapiekeuze. Wanneer een HIV infectie bevestigd is, wordt geadviseerd om de patiënt onmiddellijk door te verwijzen naar een HIV referentiecentrum (HRC) voor behandeling en opvolging van de infectie om de ziekteprogressie naar het verworven immuundeficiëntiesyndroom (AIDS) te voorkomen en het risico op overdracht van het virus te minimaliseren.

Beschrijving van de test

HIV screening moet worden uitgevoerd met 4de generatie testen (combinatie van antilichaam/antigeen detectie) of 5de generatie testen (die onderscheid maken tussen de resultaten voor antilichamen en p24 antigeen) om een vroege diagnose mogelijk te maken. Zowel 4de als 5de generatietesten detecteren antilichamen tegen HIV-1 groep M en O en HIV-2. Stalen met een reactief/positief of twijfelachtig resultaat moeten worden bevestigd door specifieke supplementaire testen. De resultaten worden geïnterpreteerd aan de hand van vastgelegde criteria. Tijdens een zeer recente infectie kan de seroconversie echter nog onvolledig zijn, wat tot negatieve of onbepaalde profielen van deze confirmatie testen kan leiden. Daarom zijn aanvullende testen voor de detectie van p24 antigeen en/of viraal RNA in dit stadium van de infectie bijzonder nuttig.

Voorschrijving van de test

HIV screening kan door alle artsen worden aangevraagd en kan in elk klinisch laboratorium worden uitgevoerd. Het klinisch laboratorium stuurt alle stalen met een positief/reactief of twijfelachtig screeningsresultaat naar een ARL van zijn keuze voor bevestiging of uitsluitsel van een HIV-infectie, en voor typering van de infectie (HIV-1, HIV-2, co-HIV-½). Het klinisch laboratorium wordt geadviseerd om informatie over de gebruikte screeningstest en het respectieve screeningsresultaat aan het ARL te verstrekken, samen met alle andere klinische informatie die van belang kan zijn voor de keuze van de confirmatie test en de interpretatie van de resultaten (tijdstip van risicocontact, klinische symptomen, profylaxe, antivirale behandeling, …), indien deze informatie door de arts is verstrekt.

Indicaties voor de test

HIV screening wordt voor verschillende indicaties aanbevolen, maar kan ook op verzoek van de patiënt worden uitgevoerd, zelfs zonder de aanwezigheid van één van deze indicaties of zonder bekendmaking van een risicofactor.

Beperkingen van de test

De gevoeligheid en specificiteit van de screeningtesten zijn uitstekend (99,2 tot 99,8%). De totale positieve voorspellende waarde is echter slechts 50% als gevolg van de lage HIV prevalentie in België. Daarom moeten stalen met een reactief/positief of twijfelachtig resultaat door aanvullende testen in een ARL bevestigd worden, voordat de eerste screeningsresultaten worden meegedeeld.

Elke diagnostische test heeft een vensterperiode. De vensterperiode voor een HIV test verwijst naar de tijd tussen de blootstelling aan HIV en het moment waarop een test HIV in het bloed kan aantonen. De vensterperiode hangt af van het type HIV test dat wordt gebruikt en kan langer zijn in geval van profylaxe.

Praktische instructies en richtlijnen

Om een HIV diagnose bij volwassenen te stellen:

  1. Collecteer bloed in een serum-buis (normaal of SST) door middel van een venapunctie (5 tot 10 ml).
  2. Vraag een HIV screening test aan.
  3. Bewaar de moederbuis bij kamertemperatuur en stuur deze zo snel mogelijk naar een klinisch laboratorium. Bewaar bij 2-8°C indien vervoer niet binnen één dag kan worden geregeld.

Resultaten van de test

Bij een negatief testresultaat heeft de test geen merkers van een HIV infectie gedetecteerd:

  • Bij de interpretatie van het resultaat moet echter rekening worden gehouden met de datum van het mogelijke risicocontact. HIV screening waarbij gebruik gemaakt wordt van 4de of 5de generatietesten kunnen vanaf 2 weken na het risicocontact besmetting opsporen. Maar aangezien de mate van zekerheid op dat moment niet maximaal is, is het nodig om 45 tot 50 dagen na het contact opnieuw te testen, in geval van een eerste negatief resultaat. Als er in de tussentijd geen bijkomend risicocontact is geweest, kan een HIV infectie na 45 tot 50 dagen worden uitgesloten.
  • Als een zeer recente HIV infectie wordt vermoed, wordt geadviseerd om één tot twee weken na de staalafname van de negatieve test opnieuw een staal te nemen of contact op te nemen met uw klinisch laboratorium of ARL voor eventueel aanvullende testen op het oorspronkelijke staal. 
  • Bij pre-exposure profylaxe (PrEP) of post-exposure profylaxe (PEP) is een vertraagde antilichaamrespons mogelijk. Het is aanbevolen om ten minste aan het einde van de profylaxe en 45 tot 50 dagen na het stoppen van de profylaxe te testen.

In het geval van een onbesliste HIV confirmatie test, voldeed de test niet aan de criteria voor de bevestiging van een HIV infectie, noch voor de uitsluiting van een HIV infectie:

  • Als een zeer recente HIV infectie wordt vermoed, wordt geadviseerd om één tot twee weken na de staalafname van de onbesliste test opnieuw een staal te nemen of contact op te nemen met uw klinisch laboratorium of ARL voor eventuele aanvullende testen op het oorspronkelijke staal. 
  • Stuur anders een nieuw staal, bij voorkeur na 2 weken.
  • Als de testresultaten herhaaldelijk onbeslist zijn, neem contact op met uw ARL om bijkomende testen te bespreken.

In geval van een reactief/positief resultaat van de screeningstest in het klinisch laboratorium dat nog niet door het ARL is bevestigd:

  • Wacht op de testresultaten van ARL voordat u andere maatregelen neemt.

In geval van een positief confirmatie testresultaat ontvangen van ARL, inclusief acute HIV infectie (staal genomen in de seroconversieperiode):

  • Stuur zo spoedig mogelijk een nieuw staal naar uw klinisch laboratorium, om staal-/labelfouten en contaminaties uit te sluiten.
  • Vul het verstrekte epidemiologische formulier in en stuur het terug naar het ARL. Zo draagt u bij tot een betere HIV surveillance, wat de volksgezondheid kan verbeteren.
  • Verwijs de patiënt zo snel mogelijk naar een HIV referentiecentrum (HRC).

 

Neem voor meer details contact op met een ARL van uw keuze.

QR code

QR code for this page URL